Brabants grootste drugsproces: rechtbank deelt zware straffen uit

Op 6 september jl. heeft de rechtbank Oost-Brabant vonnis gewezen in de geruchtmakende Alfa-zaak waarin ik ook een verdachte heb bijgestaan. Uiteindelijk was ik de enige advocaat die verweren heeft gevoerd, want de overige verdachten en advocaten hadden besloten om niet meer te verschijnen tijdens de inhoudelijke behandeling. Zij hadden geen vertrouwen meer in een eerlijke berechting van hun zaak en wilden niet voor spek en bonen in de zittingszaal plaatsnemen. Het is volgens mij nog nooit voorgekomen dat advocaten en verdachten tijdens het proces in zulke groten getale zijn weggelopen. Maar deze vergaande actie past in de huidige tijdgeest waarin er toch wel sprake lijkt te zijn van een verharding in de verhoudingen tussen de verschillende procesdeelnemers (rechterlijke macht, openbaar ministerie en advocatuur). Het is bepaald geen unicum meer dat de verdediging naar zware middelen grijpt om het proces in gunstige zin te beïnvloeden.

Een voormalig vice-president van de Amsterdamse rechtbank (mw mr. E.J. van Schaardenburg) zei ooit dat een kalme en rustige verdediging het meeste effect sorteert. Ik onderschrijf dat volledig, maar af en toe moet een advocaat naar mijn mening wel in de bus durven blazen. Wanneer het Openbaar Ministerie en/of de rechtbank onvoldoende oog lijken te hebben voor ontlastende omstandigheden, dan moet daarop een krachtig tegengeluid volgen van de advocaat. Gelukkig heeft dezelfde voormalig president dat eveneens benoemd in haar afscheidsrede: “advocaten moeten lastig zijn”.

In de Alfa-zaak heeft de rechtbank de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie grotendeels overeind gehouden. Volgens de rechtbank heeft de politie de aanwezige geluidsbestanden op een zorgvuldige en betrouwbare wijze uitgewerkt. En alle verdachten zijn aangemerkt als deelnemer van een criminele organisatie. Maar voor enkele verdachten – waaronder mijn cliënt – is de opgelegde straf een stuk lager uitgevallen dan door het Openbaar Ministerie was geëist. Ik vermoed dat het voeren van een inhoudelijke verdediging toch een positieve invloed heeft gehad. Voor die stelling kan ik natuurlijk geen sluitend bewijs aanleveren. Bovendien kan hiertegen nog worden ingebracht dat enkele medeverdachten ook een lagere straf hebben gekregen terwijl er in die zaken geen verdediging (meer) is gevoerd.

Deel dit bericht:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Share on print
Share on email